Maté en/of melk: Dialectiek van migratie en identiteit in de literatuur van de Nederlands-Uruguyaanse Carolina Trujillo
Summary
In deze scriptie doe ik onderzoek naar het complete oeuvre van de Nederlands-Uruguayaanse
Carolina Trujillo, om via dit individuele geval de complexe dialectiek van de identiteit van de
migrant bloot te leggen, met oog voor haar specifieke Latijns-Amerikaanse achtergrond. Als
dochter van verzetsstrijders heeft Trujillo vanaf 1975 tien jaar in Nederland gewoond. Haar
eerste novelle schreef ze in het Spaans, maar nu woont en schrijft ze in Nederland.
De werken van Trujillo zijn autofictie: ze houden midden tussen fictie en autobiografie.
Ik treed ze toe volgens de dialectische benadering van Sophia McClennen, waarmee ik
tegenstrijdigheden niet gladstrijk of reduceer tot een binaire tegenstelling, maar een flexibel
interpretatieschema gebruik en de conditie van de migrant als een open proces beschouw. Ik
onderzoek hoe migratie en identiteit spreken uit de thematiek, de formele kenmerken en het
discours en vergelijk dit met het beeld van de Nederlandse migrantenliteratuur.
Trujillo’s literatuur geeft blijk van de noodzaak tot ‘terugkeren’. Haar protagonisten
bereiken wel een plek maar nooit een bestemming, doorleven is het nostalgische proces van
terugkeren. Deze beweging betekent afstand overbruggen, waardoor afstand een noodzakelijk
conditie wordt. Die roept ze op via een verscheidenheid aan literaire strategieën en op meerdere
verhaalniveaus. De heterotopie is volgens Michel Foucault een paradoxale ruimte die magisch
en realistisch tegelijk is en een doorgang vormt naar andere ruimtes. Met deze literaire tool
creëert ze een simultane samenhang van aan- en afwezigheid die zowel aanleiding tot, als
belichaming van de conditie van de migrant is.
Uit haar teksten blijkt hoe de littekens uit het verleden tot een fatalistisch wereldbeeld
leiden. Trujillo stelt de dictatuur en het verzet van haar ouders verantwoordelijk voor haar
generatie die ‘naar de kloten’ is. Via de literatuur verkent ze het thema van zelfdestructie en de
zoektocht naar een thuis in vriendschap als remedie. Haar teksten zijn een opening van Homi
Bhabha’s Derde Ruimte. Via deze in-between ruimte formuleert ze vanuit de marge een
ironisch, hybride discours tegen het koloniale verhaal en tegen huidige misstanden.
In dit discours brengt ze contrast aan tussen naties door het gebruik van etnotypes, dat
volgens Joep Leerssen herkenbare beelden van nationale identiteit zijn. Anderzijds
demonstreert ze de valse aard ervan en laat zien dat (nationale) identiteit niet essentieel is, maar
een samenspel van externe invloeden die in een dialectische spanning staan. Haar literatuur
reflecteert de onmogelijkheid van de migrant om met zichzelf samen te vallen, en ze voldoet
niet aan de typering van tussenfiguur of transnationaal figuur, haar beweging tussen nationale
identiteiten maakt dat ze niet vast te pinnen is. Zelfs niet tussen twee punten.