‘Een tas? Nee dat is een kopje’ Taalvariatie binnen het Nederlands in het Nederlandse NT2-onderwijs
Summary
Het Nederlands kent vele variaties. Zo worden er in Nederland, Vlaanderen en Suriname verschillende varianten van de taal gesproken en bestaan er daarbinnen weer verschillende dialecten en regionale accenten. Daarmee rijst de vraag welke variant leerders van het Nederlands als tweede taal moeten aanleren. Moet er in het NT2-onderwijs in Nederland alleen op de standaardtaal gefocust worden, of moeten er ook andere varianten van het Nederlands aan bod komen? Wat houdt deze standaardtaalvariant eigenlijk in, als deze verschilt per gebied? Maakt het daarbij uit in welk deel van Nederland de lessen worden gegeven? In Nederland is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar dit onderwerp. In dit verkennende onderzoek is daarom een antwoord gezocht op de vraag ‘Hoe staan NT2-deskundigen in Nederland tegenover taalvariatie in het Nederlands in het NT2-onderwijs?’. Dit is gedaan aan de hand van 7 verkennende interviews met NT2-deskundigen en een online enquête onder 36 NT2-docenten in Nederland. In het algemeen vinden de meeste docenten de focus op de standaardtaal het belangrijkste en vinden ze dat er, wat betreft taalvariatie, vooral aandacht moet worden besteed aan het bewust maken van de cursisten dat er variatie bestaat. In de praktijk blijkt de aandacht voor taalvariatie volgens hen voornamelijk terug te komen in aandacht voor verschillende uitspraakvarianten en in regionale woordenschat. Volgens de meeste deskundigen moet de focus vooral liggen op de regionale variant waar de cursisten mee in aanraking komen en hoeft dit pas op hogere niveaus terug te komen. Hierbij is volgens hen alleen receptieve kennis van belang. Beperkingen die deskundigen ervaren bij het besteden van aandacht aan taalvariatie binnen het Nederlands zijn het gebrek aan lesmateriaal, dat ze zelf geen dialect spreken en de grote mate van variatie die er bestaat.