dc.description.abstract | Hoewel het taalbadmodel al jaren dominant is in het NT2-onderwijs, is deze manier van werken niet onomstreden. Critici beargumenteren dat, door een sterke nadruk te leggen op de vaardigheden in de tweede taal (T2) en de moedertaal (T1) buiten de (klaslokaal)deur te houden, leerders van het Nederlands de kans wordt ontnomen om hun T1 op productieve wijze in te zetten bij het leren van de T2 (Van Avermaet, 2015). Bovendien kan kennis betreffende overeenkomsten en verschillen tussen de T1 en het Nederlands bijdragen aan het leerproces, omdat deze kennis inzicht biedt in potentiële kansen (Ammar, Lightbown & Spada, 2010) en uitdagingen (Van de Craats, 2002) voor de nieuwe spreker.
Wie moedertaalondersteund NT2-onderwijs wil realiseren, loopt in de praktijk echter al snel tegen een aantal struikelblokken aan (Leufkens, 2017a): meestal spreken de docenten zelf geen Frans, Turks of Pools, en het vergaren van kennis over verschillende taalsystemen is een tijdrovende en bewerkelijke taak. Daarom ontwikkelt de Universiteit Utrecht Moedertaal in NT2, een webapplicatie die NT2-docenten een handreiking biedt door een overzicht van overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlands en een aantal (moeder)talen in ‘gewone taal’ te verstrekken (Leufkens, 2017b). Op deze manier heeft de docent eenvoudig toegang tot informatie over hoe de verschillende moedertalen in de groep zich verhouden tot het Nederlands.
Het huidige afstudeeronderzoek sluit indirect aan bij Moedertaal in NT2, en heeft als doel in kaart te brengen welke overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlands en het Frans relevant kunnen zijn in de NT2-onderwijspraktijk. Dit is gedaan aan de hand van de volgende onderzoeksvraag: ‘Welke overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlands en het Frans op het gebied van woordsoorten en syntaxis kunnen leiden tot positieve of juist negatieve transfer en faciliteren of bemoeilijken daarmee de NT2-verwerving van moedertaalsprekers van het Frans?’
Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden zijn twee deelonderzoeken uitgevoerd. Allereerst is, in de geest van Lado (1957), een contrastieve analyse tussen het Nederlands en het Frans uitgevoerd op het gebied van woordsoorten en syntaxis. Vervolgens zijn enkele verwachtingen die voortkomen uit deze analyse getoetst aan de hand van spraakopnamen van Franstalige NT2’ers.
Uit de resultaten blijkt dat het Nederlands en het Frans op zowel woord- als zinsniveau een aantal cruciale verschillen kennen. Het Nederlands is bijvoorbeeld een SOV-taal, terwijl het Frans veelal de SVO-volgorde aanhoudt, en in het Frans wordt het adjectief achter het nomen geplaatst, in plaats van ervoor. Tegelijkertijd zijn er ook overeenkomsten. Zowel het Nederlands als het Frans kent bijvoorbeeld woordgeslacht, maakt een onderscheid tussen u en je, en past enkel naamval toe op pronomina personalia. Uit de spraakopnamen blijkt dat de verschillen op zinsniveau inderdaad tot transfer leiden: participanten produceren constructies die, beïnvloed door de regels van het Frans, niet correct zijn in het Nederlands.
Het huidige afstudeeronderzoek hoopt niet alleen bij te kunnen dragen aan moedertaalondersteund NT2-onderwijs voor moedertaalsprekers van het Frans; het illustreert ook hoe de contrastieve analyse – hoewel als methode niet onomstreden – een waardevol hulpmiddel kan zijn in het taalonderwijs en een uniek inzicht kan bieden in kansen en uitdagingen die tweedetaalleerders tegen kunnen komen. | |