Voor elckerlyc of vriendjespolitiek? - De toelatingseisen van het Gereformeerd Burgerweeshuis te Utrecht in de negentiende eeuw
Summary
Voor mijn bachelorscriptie heb ik de toelatingsreglementen van het Gereformeerd Burgerweeshuis te Utrecht van de jaren 1836, 1845, 1869 en 1878 met elkaar vergeleken. Hoewel het aantal opgenomen wezen na 1836 drastisch toenam - en vanaf 1850 weer snel zakte - werden de toelatingseisen pas aangescherpt op het moment dat het aantal wezen afnam, namelijk in 1869 en 1878. Ondanks gebrek aan ruimte of financiële middelen, werden er toelatingsverzoeken afgewezen.
In het kort is mijn conclusie dat – hoewel het weeshuis in 1491 werd opgericht met als doel het verzorgen van ‘alle ellendighe weeskynderen, knechtkens ende meechdekens, die van allen menschelicken troots verlaten sijn, oick van waen dat sij comen’ – de aandacht gedurende de negentiende eeuw steeds meer gericht was op het opvangen van weeskinderen uit de gezeten burgerij. Hiermee zorgde de afschaffing van het burgerrecht in Utrecht in 1829 wat betreft het Gereformeerd Burgerweeshuis juist voor grotere dan kleinere verschillen tussen armere en rijkere families.