Kennis of imago? De betekenis van campussen voor Life Sciences bedrijven
Summary
De toepassing van de campus heeft de laatste decennia op veel plekken in de wereld nieuwe
potentie gekregen, wat het begrip enigszins heeft veranderd. Alles draait nu om kennis en
innovatie. Op de plek zijn naast een kennisinstelling (zoals een universiteit of R&D-centrum)
kennisintensieve bedrijven gevestigd. Zo ontstaat een kennisintensief cluster. Het doel van
een campus is om mensen bij elkaar te brengen en er voor te zorgen dat zij kennis met
elkaar delen (Atzema, 2008).
Op de campus zijn bedrijven en instellingen ruimtelijk geconcentreerd. De theorieën die
hieraan ten grondslag liggen zijn de agglomeratietheorieën. Eén van deze theorieën is de
clustertheorie van Porter (1990). Het beschrijft hoe gerelateerde bedrijven uit een bepaalde
sector zich ruimtelijk concentreren, waardoor concurrentie en samenwerking plaats vinden.
Het kan leiden tot regionale groei. Naast contacten binnen het cluster, de local buzz, zijn
contacten met de buitenwereld ook belangrijk, de global pipelines. De combinatie van beide
is het meest voordeligst voor een cluster (Bathelt et al., 2004).
Als een bedrijf zich op een locatie wil vestigen, bijvoorbeeld binnen een cluster, is het op
zoek naar een productiemilieu dat het best bij het bedrijf past. Het productiemilieu is het
geheel van externe condities dat van invloed is op zowel de beslissing om op een bepaalde
plaats een bedrijf te vestigen als op het functioneren van dat bedrijf daarna (Atzema et al.,
2002). De belangrijkste productiemilieufactor voor bedrijven op een campus is volgens
Atzema (2008) de aanwezigheid van kennis. Uitwisseling van kennis zorgt voor
kennisproductie. Hieruit ontstaat technologische vooruitgang, innovatie en dus ook nieuwe
economische activiteiten. Van Dinteren (2007, 2009) zet vraagtekens bij het plaatsvinden
van kennisuitwisselingen op een campus. Hij stelt dat bedrijven zich juist vanwege het imago
op de campus vestigen, dat voor naamsbekendheid zorgt. Het zorgt voor een discussie
binnen het campusbegrip.
Uit dit onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van de aanwezigheid van kennis belangrijker is
dan het imago van de campus. Voor Life Sciences bedrijven op een campus moet de
aanwezigheid van kennis simpelweg een gegeven zijn. Hierbij spelen informele contacten
een essentiële rol. Het kan worden gezien als de smeerolie van de campus. Bedrijven maken
gebruik van de aanwezige kennis op een aantal manieren. Ten eerste zijn er de face-to-face
contacten op de campus, waaruit onder anderen ideeën ontstaan of worden nagecheckt.
Ten tweede is er toegang tot hoogopgeleid personeel. En tot slot ontstaat er een bepaald
netwerk van faciliteiten waar gebruikt van kan worden gemaakt, zoals dienstverlenende
bedrijven.
De discussie is hiermee echter niet ten einde. De twee factoren, kennis en het imago van de
campus, hebben namelijk met elkaar te maken. Er wordt aangenomen dat als je op een
campus gevestigd bent, je dicht bij de kennis zit. De twee factoren lijken een zelfversterkend
effect te hebben. Succesvolle bedrijven op een campus maken succesvol gebruik van de
aanwezige en uitgewisselde kennis. Het succes van de bedrijven bepaalt het succes van de
campus. Een succesvolle campus heeft een positief imago en heeft tot gevolg dat meer
bedrijven zich er willen vestigen, waardoor meer kennis naar de campus komt. Meer kennis
verhoogt de kennis op meer succesvolle bedrijven.
Ook blijkt uit het onderzoek dat de locatiefactor bereikbaarheid belangrijk is voor Life
Sciences bedrijven op een campus. Alhoewel het vooral een klaagfactor is, mag het belang
van deze locatiefactor niet worden verwaarloosd. Verder kan worden geconcludeerd dat
campusbedrijven zich niet alleen beperken tot de lokale contacten. Zij richten zich ook op
contacten met buitenaf. Het is een voordelige combinatie van local buzz en global pipelines.
Het benadrukt de economische waarde van een campus als kenniscluster voor de
internationale concurrentiepositie.