dc.description.abstract | This thesis enter the predicted value of attention on spatial cognition of children at the age of nine and twenty months. The purpose was to find out if a higher level of attention predicts a higher level of spatial orientation, spatial memory and spatial processing.
Method
30 nine and twenty months old children took part in the study. These children performed several tests to measure the various aspect of spatial cognition, for example the A not B task. The parents of the children completed also a questionnaire about spatial orientation and attention. Regression analyses were used to examine the predicted value of attention on spatial cognition at children from nine and twenty months.
Results
Attention was found to significantly predict spatial processing of children at the age of twenty months. The effect is small to average. Attention could not significantly predict any of the other aspects of spatial cognition.
Conclusion
Abstract
Objective
Attention seems not to predict spatial cognition in general. But it predicts spatial processing by children at the age of twenty months. It could be that the several brain areas of attention and spatial cognition overlap and spatial processing not fully developed is by children at the age of nigh months. It could also be that spatial processing needs more attention. Further research should give attention on the definition and several aspect of spatial cognition, the measurement of spatial cognition and the size of the sample.
Samenvatting
Doel
Deze thesis richt zich op de voorspellende waarde van aandacht op ruimtelijke cognitie bij kinderen van negen en twintig maanden. Het doel is te bekijken of een hoger niveau van aandacht een hoger niveau van respectievelijk ruimtelijke oriëntatie, ruimtelijk werkgeheugen en ruimtelijke verwerking voorspelt bij kinderen van negen en twintig maanden.
Methode
De negen en twintig maanden groep bestonden elk uit 30 kinderen, welke verscheidene taken hebben uitgevoerd om de verschillende aspecten van ruimtelijke cognitie te meten, bijvoorbeeld de ‘A not B’ taak. Ook is er door ouders een vragenlijst over aandacht en ruimtelijke oriëntatie ingevuld. Er is een regressieanalyse gebruikt om de voorspellende waarde van aandacht op ruimtelijke cognitie te bepalen.
Resultaten
Aandacht bleek een significante voorspeller te zijn voor ruimtelijke verwerking bij kinderen van twintig maanden. Het gaat om een klein tot middelmatig effect. Aandacht bleek geen significante voorspeller te zijn voor de overige aspecten van ruimtelijke cognitie.
Conclusie
Aandacht blijkt geen voorspellende waarde te hebben voor ruimtelijke cognitie als geheel, maar wel voor ruimtelijke verwerking bij kinderen van twintig maanden. Het zou kunnen dat de verscheidene hersengebieden van aandacht en ruimtelijke cognitie meer overlappen en dat ruimtelijke verwerking nog niet voldoende is ontwikkeld bij kinderen van negen maanden. Het zou ook kunnen dat ruimtelijke verwerking meer aandacht vergt. Vervolgonderzoek zal zich eveneens moeten richten op de definitie en de verschillende aspecten van ruimtelijke cognitie, de meetinstrumenten die daarvoor geschikt lijken en de grootte van de steekproef. | |