Show simple item record

dc.rights.licenseCC-BY-NC-ND
dc.contributor.advisorHoogenboom, A.M.E.L.
dc.contributor.authorBuma, J.
dc.date.accessioned2021-08-31T18:00:12Z
dc.date.available2021-08-31T18:00:12Z
dc.date.issued2021
dc.identifier.urihttps://studenttheses.uu.nl/handle/20.500.12932/41344
dc.description.abstractIn deze scriptie is onderzocht welke migratiemotieven bepalend waren voor de dynamiek van de schildersgemeenschappen in Leeuwarden en Delft in de periode 1600-1680. Onder kunstschilders vond in de zeventiende eeuw veel internationale en interregionale migratie plaats. In de bestaande literatuur zijn vooral internationale migratiebewegingen beschreven, en is vastgesteld dat die vooral verklaard moeten worden vanuit politieke of economische drijfveren. Deze studie beziet de migratie van en naar twee steden vanuit vooral interregionaal perspectief. Het onderzoek is gebaseerd op de gegevens uit de databases van het RKD en de biografische publicaties over kunstenaars uit beide steden, zowel moderne als contemporaine. De schildersgemeenschap in Leeuwarden bleek behoorlijk dynamisch te zijn geweest: 54% van de onderzochte schilders zijn naar de stad gemigreerd en 37% van de schilders is van de stad gemigreerd. Leeuwarden was een relatief afgelegen stad met een paar interessante pullfactoren voor schilders. De adel en het stadhouderlijk hof waren constante opdrachtgevers voor getalenteerde schilders van buiten Leeuwarden. Vanwege de onontwikkelde kunstmarkt in Friesland kwamen Hollandse schilders en handelaars naar de provinciehoofdstad om een kunsthandel op te zetten. Daarnaast trokken veel schilders uit de omgeving naar Leeuwarden voor hun opleiding of voor de omvangrijke patronage omdat de stad een metropoolfunctie had binnen de noordelijke gewesten. Voor veel anderen zal de stad te weinig te bieden te hebben gehad. Getalenteerde schilders verlieten de stad vaak. Ze vertrokken naar Italië, Frankrijke en de Duitstalige gebieden om op reis te gaan of onder een heer te gaan werken. Schilders verlieten Leeuwarden daarnaast voor steden in voornamelijk Holland om in de leer te gaan bij een getalenteerde meester, of om de gok te wagen op de ontwikkelde maar competitieve kunstmarkt in het voorname zeegewest. Bijna alle migratie kwam tot stand via de uitgebreide familiale, professionele en vriendschappelijke netwerken die door heel Europa bestonden. De schildersgemeenschap van Delft was dynamischer dan die in Leeuwarden: 59% van de onderzochte schilders immigreerde en 55% van de onderzochte schilders emigreerde. De stad had een economie die werd gedomineerd door handel en industrie. Hierdoor waren belangrijke pullfactoren van Delft de ontwikkelde vrije markt voor schilderkunst en de tapijtindustrie. De tapijtindustrie trok veel Vlaamse vluchtelingen die zich na de val van Antwerpen in Holland vestigden. Deze Vlamingen vormden een groot netwerk in verschillende Hollandse steden. Deze pullfactor verschilt van Leeuwarden: vanwege de voornamelijk agrarische economie in Friesland was er weinig nevenwerk voor bijvoorbeeld Vlaamse schilders, die in Vlaanderen ontwerpen hadden gemaakt voor de aardewerk- of tapijtindustrie. Doordat de schilders zo afhankelijk waren van de vrije markt en de industrie kromp de schildersgemeenschap ten gevolge van een oorlogscrisis in Holland rond 1660. De meesten die de stad verlieten reisden vrienden of familie achterna die in een andere stad in de buurt betere kansen zagen. De keuze was groot: Delft lag omringd door de grote productiecentra Den Haag, Rotterdam, Leiden, Gouda, Dordrecht en Amsterdam. De aanwezigheid van deze steden was een gewin en een verlies. Veel productiecentra zorgen enerzijds voor veel bedrijvigheid, maar anderzijds voor veel concurrentie. Daarnaast verlieten veel schilders Delft om op reis te gaan. De bestemmingen waren veelzijdiger dan vanuit Leeuwarden. Door de centrale ligging van Delft en de aanwezigheid van een VOC-kamer vertrokken schilders uit Delft naar locaties over de hele wereld. Al met al waren de belangrijkste migratiemotieven in volgorde van prominentie sociaal (40%), economisch (28%), reis (15%), in de leer (12%) en vlucht (10%). In de bestaande literatuur is kortom voornamelijk aandacht besteed aan de migratie van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden en migratie van de Nederlanden naar Italië. Interregionale migratie kwam daarnaast veel voor tussen verschillende gebieden binnen de Nederlanden en daarbuiten. De frequentie van deze migratiebewegingen kan ons denken over de indeling van de kunstgeschiedenis in lokale of regionale schilderscholen verder nuanceren. Daarnaast laat de veelzijdigheid van de migratiemotieven zien dat macroanalyses van migratiebewegingen onderhevig zijn aan allerlei randzaken die de resultaten beïnvloeden.
dc.description.sponsorshipUtrecht University
dc.format.extent1020782
dc.format.extent2326960
dc.format.mimetypeapplication/pdf
dc.format.mimetypeapplication/pdf
dc.language.isonl
dc.titleDe hort op: Migratiemotieven van schilders in Leeuwarden en Delft, 1600-1680
dc.type.contentBachelor Thesis
dc.rights.accessrightsOpen Access
dc.subject.courseuuKunstgeschiedenis


Files in this item

Thumbnail
Thumbnail

This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record