dc.description.abstract | Organisaties werken de laatste decennia steeds vaker samen in netwerken. Dit heeft als voordeel dat ze kennis, ervaring en middelen kunnen samenbrengen die nodig zijn voor het oplossen van complexe vraagstukken, zoals wicked problems. Dit voordeel gaat er dan wel vanuit dat het netwerk optimaal presteert. Of deze prestaties daadwerkelijk optimaal zijn, moet worden vastgesteld of de doelen worden gehaald door middel van een prestatiemeting. Echter blijkt dat bij het opstellen van de daarbij behorende prestatie-indicatoren twee uitdagingen zijn.
Ten eerste is de keuze voor het soort prestatie-indicator normatief van aard. Dit betekent dat het in theorie niet uit maakt welke prestatie-indicator gekozen wordt, maar dat het afhangt van de voorkeuren van de netwerkleden. Ten tweede zijn prestatie-indicatoren enerzijds vaak te breed geformuleerd waardoor ze allemaal verschillende elementen meten. Anderzijds zijn ze vaak te specifiek geformuleerd, waardoor ze een te nauw beeld geven van de werkelijkheid. Gezien de voorkeur voor prestatie-indicatoren van invloed zijn op de daadwerkelijke prestatiemeting, moet worden gekeken naar welke van de twee indicatoren netwerkpartners een voorkeur hebben en welke factoren daarin een rol spelen. De hoofdvraag van dit onderzoek luidt dan ook: Wat zijn de voorkeuren voor prestatie-indicatoren van partners in netwerksamenwerkingen en welke factoren spelen een rol in die voorkeuren?
Uit een analyse van de literatuur blijkt dat de perceptie van de mate van vertrouwen, doelconsensus en complexiteit van het probleem factoren zijn die elk een eigen rol spelen in de voorkeur van netwerkpartners voor brede of specifieke prestatie-indicatoren. Om te kijken welke factoren een rol spelen in de praktijk is gebruik gemaakt van de casus Health Hub Utrecht [HHU], een netwerksamenwerking van organisaties op het gebied van (volks)gezondheid in de regio Utrecht. Er is een analyse gemaakt van 12 semi gestructureerde interviews met netwerkpartners, een aantal interne documenten en observaties.
Hieruit blijkt dat een positieve perceptie van doelconsensus leidt tot de voorkeur voor specifieke prestatie-indicatoren en dat zowel vertrouwen als complexiteit niet direct een rol spelen. Deze voorkeur voor specifieke prestatie-indicatoren komt voort uit de breed geformuleerde doelstellingen van de HHU. De doelstellingen zijn breed geformuleerd omdat het netwerk in een opstartende fase zit. Echter blijkt dat alle respondenten een voorkeur hebben voor het specifieker maken van de doelstellingen. Deze doelspecificering is dan ook van invloed op de perceptie van vertrouwen, doelconsensus en complexiteit van netwerkpartners. Zo heeft het vertrouwen nog niet onder druk gestaan omdat er nog geen conflicten zijn geweest. Blijkt dat het makkelijker is om het eens te worden over brede doelstellingen dan over specifieke doelstellingen en blijkt dat de respondenten het complex vinden om te begrijpen waar en hoe zij in de toekomst precies moeten bijdragen aan de doelstellingen. Daarnaast blijkt ook dat de deelname van (lokale) overheden het komen tot doelspecificering extra complex maakt, doordat deze andere verantwoordings- en financieringsstructuren hanteren dan de andere netwerkpartners.
Concluderend moeten netwerken niet te lang blijven ‘hangen’ in de opstartende fase van het netwerk. Door maximaal 1 tot 1,5 jaar te werken aan het opbouwen van relaties en vertrouwen komt het netwerk snel genoeg tot doelspecificering waardoor het niet de kans loopt om een veredelde praatclub te worden. Daarnaast moet het bouwen van relaties en het vertrouwen ook tijdens de doelspecificering een centrale plek krijgen, kan de doelspecificering het beste in groepen van maximaal 6 partners en moeten netwerkmanagers ervoor zorgen dat het netwerk als geheel niet dezelfde prestatie-indicatoren krijgt als de partnerorganisaties zelf hanteren. | |