dc.description.abstract | Om te komen tot een antwoord op de vraag welk beeld naar voren komt van William Faulkner en hoe zich dit in de tijd heeft ontwikkeld in het literaire culturele systeem in Nederland is onderzoek gedaan naar de eerste veertig jaar productieve en kritische receptie. Data zijn verzameld en geanalyseerd met behulp van de polysysteem-theorie van Even-Zohar, zoals aangepast door Andringa. De vertalingen, recensies of andere publicaties over Faulkners werk van 1931-2016 zijn verzameld en gepresenteerd, waarna er drie periodes in detail met elkaar zijn vergeleken: 1931 tot 1941, 1946 tot 1960 en 1960-1970. De methode van Von Heydebrand en Winko werd toegepast om de recensies te analyseren. In het interbellum was Victor van Vriesland een belangrijk criticus, in de jaren vijftig Simon Vestdijk en W.F. Hermans en in de jaren zestig Wim Bronzwaer. John Vandenbergh is de belangrijkste Faulknervertaler geweest die vanaf de jaren vijftig tot de jaren tachtig de kern van Faulkners Yoknapatawpha cyclus vertaalde. Uitgeverijen Bruna en De Bezige Bij hebben de meeste Faulknertitels uitgegeven in deze periodes, van de in totaal zeventwintig titels (nieuwe vertalingen en herdrukken), die ongeveer vierenveertig publicaties genereerden (20 % van het totale aantal publicaties). De vertalingen schoven vanuit een perifere positie als vernieuwend werk op naar een meer centrale positie toen Faulkners oeuvre voet aan de grond kreeg. Van obscure, moeilijk toegankelijke avant-garde schrijver in het interbellum is het beeld van Faulkner na het krijgen van de Nobelprijs bestendigd en unaniem verankerd als geniaal en uniek schrijver aan het eind van de jaren zestig. Het canoniseringsproces voltrok zich in de eerste veertig jaar receptie, maar heeft geen grote lezerskring gegenereerd. | |