Show simple item record

dc.rights.licenseCC-BY-NC-ND
dc.contributor.advisorHellema, Duco
dc.contributor.authorHoeberigs, Gérard
dc.date.accessioned2009-02-11T09:58:46Z
dc.date.available2009-02-11T09:58:46Z
dc.date.issued2008
dc.identifier.urihttps://studenttheses.uu.nl/handle/20.500.12932/2208
dc.description.abstractHet buitenlands beleid van Nederland werd sinds het begin van de 19e eeuw gekenmerkt door een politiek van neutraliteit. Na de Tweede Wereldoorlog transformeerde de Nederlandse staat zich in een land die actief partij koos bij internationale aangelegenheden. Het buitenlandbeleid van Nederland sinds 1945 is wellicht het best te typeren als Atlantisch-georiënteerd met een behoorlijk volgzame opstelling binnen de internationale organisaties zoals de NAVO en de EU. In de inleiding stelde ik nog de vraag of Nederland niet klakkeloos achter de NAVO-bondgenoten de Kosovo-oorlog inliep. Na bestudering van het onderwerp, concludeer ik dat het tegendeel het geval lijkt te zijn. Uit tal van kamerstukken blijkt namelijk dat Nederland een leidende rol heeft gehad bij het aansturen op een militaire interventie binnen de NAVO en de EU. Er is hier zodoende sprake van een opmerkelijke trendbreuk in het buitenlandbeleid van Nederland. Of de Nederlandse opstelling bij het Kosovo-conflict gezien dient te worden als een op zichzelf staand incident of een geheel nieuwe richting op het gebied van de buitenlandse politiek valt uit deze publicatie niet te concluderen. Momenteel heerst in het Nederlandse taalgebied de veronderstelling dat Kosovo niet de bakermat van het Servendom was en zodoende wordt deze Servische claim als mythe afgedaan. Aan de hand van betrouwbare bronnen kan echter weldegelijk goed beargumenteerd worden dat Kosovo tot de bakermat van het Servendom behoorde. Daarom heeft de bedenker van deze redenering, professor Detrez, naar aanleiding van deze scriptie zijn stelling teruggetrokken. De voorheen gangbare opvattingen om het Kosovo probleem te verklaren, namelijk de afschaffing van de autonomie in 1989 en het nationalisme van Milošević, zijn in de afgelopen jaren door meerdere wetenschappers van tafel geveegd. Een veel realistischere verklaring voor het Kosovo-probleem zijn de nationalistische stromingen, zowel Servisch als Albanees, die al sinds de aanvang van de Balkanoorlogen (1912-1913) aanwezig waren. De nationalistische sentimenten kregen vrij spel door de gebrekkige constitutie van 1974 en dit leidde in de jaren zeventig en tachtig tot etnisch geweld. De onlusten werden daarnaast ook nog eens versterkt door de hoge geboortecijfers die de werkeloosheid naar recordhoogte stuwde, de etnische homogenisering van Kosovaarse gemeenten die de communicatieve vervreemding vergrootte en de algehele economische rampspoed in Kosovo. Naarmate het UÇK een grotere rol ging spelen binnen Kosovo en de Albanese bevolking haar steun voor de pacifistische Rugova introk, namen de schermutselingen over en weer toe. Uiteindelijk ontstond een geweldspiraal, die in 1998 uit zou groeien tot een heuse oorlog. Een alom gemaakte fout van journalisten en historici is het eenzijdig aanwijzen van een arbitrair beginpunt van het conflict, waarmee de schuld indirect in de schoenen van één partij wordt geschoven. Het Kosovo-conflict is niet begonnen toen de Servische troepen in maart 1998 de Jashari-clan uitmoordde; noch is het begonnen in 1997 toen het UÇK het Drenica-gebied als onafhankelijk uitriep en Joegoslavische politiemensen vermoordde. Ook begon het conflict niet in 1989 toen Milošević de autonomie van Kosovo wijzigde en zelfs niet in 1974 toen Tito zijn fragiele constitutie introduceerde. Het conflict is slechts een schoolvoorbeeld van de wereldwijde minderhedenproblematiek; een fundamenteel probleem dat in het concept van de natiestaat ligt. Vanuit idealistisch perspectief vallen de NAVO-bombardementen op Joegoslavië te verklaren als onderdeel van een nobele missie om een ‘humanitaire catastrofe’ te voorkomen. Met de idealistische benadering valt echter niet uit te leggen, waarom destijds ergere misstanden zoals het Turkse militaire optreden tegen de Koerdische minderheid ongemoeid werden gelaten door de NAVO. Bovendien speelde bij de NAVO mogelijk het weinig idealistische motief mee dat de Noord-Atlantische verdragsorganisatie zichzelf van een nieuw raison d’être wilde voorzien. We kunnen dus stellen dat ook machtsrealistische redeneringen een belangrijke rol hebben gespeeld in het besluit om Joegoslavië te bombarderen. De meest adequate samenvatting lijkt dat de NAVO-lidstaten zich met Kosovo gingen bemoeien op grond van de humanitaire situatie, maar dat de uiteindelijke interventie vooral het gevolg was van de houding van de Joegoslavische regering die zich nauwelijks iets van de NAVO leek aan te trekken. Net als de andere NAVO-leden, had Nederland tal van redenen om voorstander te zijn van een NAVO-interventie in Kosovo. In de Tweede Kamer domineerde vooral de vrees voor etnische zuiveringen en een tweede Srebrenica. Op de achtergrond speelde ook de angst voor verdere ontwrichting van de Balkan, het feit dat Milošević niet goed samenwerkte met het Joegoslaviëtribunaal en de Albanese vluchtelingenstroom richting Nederland een rol. Dat juist Nederland fervent voorstander was van de interventie, valt vooral te verklaren uit de Nederlandse betrokkenheid bij Srebrenica en het feit dat het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag gevestigd is, waardoor het gerechtshof in Nederland een extra hoog aanzien heeft. Dat de doembeelden waarop Nederland en haar bondgenoten zich in het najaar van 1998 baseerde om te interveniëren onjuist waren, lijkt nu slechts een onbeduidende kanttekening te zijn. Dat er geen sprake was van etnische zuiveringen in 1998 en begin 1999 en dat Milošević helemaal niet de moordzuchtige dictator was waarvoor hij werd afgeschilderd, heeft in Nederland het gejubel over de geslaagde luchtcampagne niet kunnen verstoren. Nederlandse media repten over etnische zuiveringen en de Amerikaanse president sprak over een “holocaust”, toen de NAVO-bombardementen nog moesten beginnen. Achteraf gezien zijn deze zware beschuldigingen bijzonder inaccuraat. Zelfs de aanklagers van het Joegoslaviëtribunaal beperken zich tegenwoordig tot het Račak-incident als het gaat om Servische misdaden vóór aanvang van de bombardementen. Van een Servische campagne van etnische zuiveringen, laat staan een holocaust, is destijds nooit sprake geweest. Tegelijkertijd werd er in het Westen gezwegen over de onredelijke eisen die in Rambouillet aan Joegoslavië werden gesteld. Ook vergaten de politieke partijen, behoudens de SP, om kritische vragen te stellen bij de legitimiteit van de luchtaanvallen. Een gemiste kans; want sinds het einde van Operation Allied Force is reeds door veel wetenschappers geconcludeerd dat dit geen legitieme humanitaire interventie was. Het standpunt van de Nederlandse regering dat met de verwijdering van Milošević het Kosovo-probleem opgelost zou worden, getuigt van gebrek aan oog voor structurele factoren.
dc.description.sponsorshipUtrecht University
dc.language.isonl
dc.titleDe mythen van Kosovo. De Kosovo-oorlog en de Nederlandse deelname (1998-1999)
dc.type.contentMaster Thesis
dc.rights.accessrightsOpen Access
dc.subject.keywordsKosovo
dc.subject.keywordsmythen
dc.subject.courseuuInternationale betrekkingen in historisch perspectief


Files in this item

Thumbnail

This item appears in the following Collection(s)

Show simple item record